top of page

Buildwise (WTCB) deel 2

Muurvoet - gevelplint

Soms wordt er uit esthetische overwegingen voor geopteerd om de regenwaterafvoerleidingen in te werken in de spouwmuur. Dit biedt evenwel het nadeel dat eventuele lekken minder snel gedetecteerd kunnen worden, wat kan leiden tot aanzienlijke gevolgschade. Ook het herstellen van dergelijke lekken is problematisch.

Verder dient men rekening te houden met het feit dat de hieruit resulterende vermindering van de isolatiedikte aanleiding geeft tot een lineaire bouwknoop, die afzonderlijk moet ingegeven worden in de EPB-berekening. Daarom geeft men in de praktijk vaker de voorkeur aan de integratie van de regenwaterafvoer in een uitsparing in het gevelmetselwerk zelf (zie afbeelding 48). In voorkomend geval hoeft men de isolatiedikte doorgaans niet te reduceren, terwijl de afvoerleiding zichtbaar en toegankelijk blijft. Vermits er hierdoor wel een verzwakking in het gevelmetselwerk gecreëerd wordt, strekt het - naar analogie met de uitvoering van de dilatatievoegen in het gevelmetselwerk - tot aanbeveling om de uitsparing aan te brengen op een afstand tot de muurhoek die minstens overeenstemt met het dubbel of het drievoud van de kopmaat van de gevelsteen. Bij grote spouwbreedtes zal dit normaliter steeds het geval zijn.

De regenwaterafvoer kan met behulp van ingemetselde consoles in het gevelmetselwerk bevestigd worden. Bij een bevestiging in de draagmuur dient men de nodige aandacht te besteden aan de akoestische isolatie, om te voorkomen dat het geluid van het aflopende water binnen voor hinder zou zorgen.

In de uitsparing in het gevelmetselwerk kan er een U-vormige kap (of twee L-vormige profielen) aangebracht worden die de luchtspouw, het isolatiemateriaal en de zijkant van de gevelstenen aan het zicht onttrekt. Aanvullend kan er een zwelband tussen de kap en de afvoerbuis voorzien worden.

De regenwaterafvoer moet met de nodige zorg op de muurvoet aangesloten worden om te vermijden dat de membranen aan de onderzijde van de gevel doorboord zouden worden. Hiertoe kunnen de membranen ten behoeve van de spouwdrainering onderbroken en van een zijdelingse opstand voorzien worden, terwijl het tweede membraan continu doorloopt onder de aansluiting van de regenwaterafvoerbuis.

Integratie van een regenwaterafvoer in een spouwmuur

Muurvoet - Deuropening - 2

Muurvoet - Deuropening

ETICS met pleister - Aansluiting met spouwmuren - Geval waarbij het ETICS uitspringt ten opzichte van het gevelmetselwerk

ETICS met pleister - Aansluiting met spouwmuren - Geval waarbij het ETICS terugliggend geplaatst wordt ten opzichte van het gevelmetselwerk

Bepleisterde plint

Aansluiting aan de muurvoet - Beschermd volume op de volle grond.
Bovenzijde Van de vloerplaat onder het niveau van de afgewerkte buitenvloer. Bepleisterde plint.

Buitenbepleistering op dragend isolerend metselwerk - Aansluiting aan de muurvoet - Beschermd volume op de volle grond

Aansluiting aan de muurvoet - Beschermd volume op de volle grond.
Bovenzijde van de vloerplaat onder het niveau van de afgewerkte buitenvloer. Plint uit blauwe hardsteen of beton op versmald metselwerk.

Houtbouw : Muurvoeten

Vereiste veiligheidshoogte tussen het afgewerkte Buitenvloerpeil en de onderregel.

ETICS op houtskeletbouw: aansluiting aan de muurvoet

Op een licht hellend terrein is de situatie vergelijkbaar met de 'toegankelijke' detailleringen (zie detail nr. 4.1, TV 264 p. 58), waarbij de waterdichtheid van het ingegraven deel verzekerd wordt door middel van een membraan met gelaste of gelijmde naden dat opgetrokken wordt tot boven het hoogste niveau van de verharding of de aanaarding rond het gebouw. Vermits de aanhechting van dit membraan op de ondergrond niet bestand is tegen waterdruk, dient men, behalve in zeer doorlatende gronden, een drainering te voorzien tegen de gevelvoet. Bepaalde vloeibaar aangebrachte afdichtingsproducten zijn wel bestand tegen een tijdelijke waterdruk, waardoor ze geen aanvullende drainering vereisen. Belangrijk is wel dat de voorschriften van de fabrikant omtrent de uitvoeringsomstandigheden en de voorbereiding van de ondergrond nauwgezet opgevolgd worden.

In voorkomend geval kan de spouwdrainering aangebracht worden boven het hoogste niveau van de verharding/aanaarding.

Net zoals bij sterk hellende terreinen is de weg van de minste thermische weerstand bij licht hellende terreinen doorgaans meer dan 1 m lang, zodat er onderaan de draagmuur niet steeds een isolerend bouwblok vereist is (zie detail nr. 3.3, TV 264 p. 54).

Muurvoet - licht hellend terrein

Muurvoet - licht hellend terrein

 Aandachtspunten

De algemene aspecten van de typologie van dragend isolerend metselwerk met een buitenbepleistering zijn opgenomen in de inleiding van de TV 290.

De typologie is specifiek en vereist bijgevolg bijzondere aansluitingsdetails:
- voor de buitenbepleistering, gelet op het feit dat er bij deze typologie slechts een eentrapsdichting tegen de weersomstandigheden aanwezig is. Het is dus van groot belang dat de aansluitingsdetails van de buitenbepleistering op de andere gevelelementen robuust ontworpen en uitgevoerd worden
- voor het metselwerk en de aangrenzende bouwwerken teneinde de continuïteit van de isolatielaag te waarborgen.

In het geval van een beschermd volume op de volle grond is de continuïteit van de isolatielaag gewaarborgd indien ten minste de helft van de dikte van de isolatie van de vloerplaat in contact staat met het isolerende metselwerk (basisregel nr. 1 voor EPB-conforme bouwknopen).

De plintzone (vanaf het niveau van de afgewerkte buitenvloer tot op een hoogte van minstens 15 of 30 cm) staat gewoonlijk erg bloot aan schokken, opspattend water en capillaire vochtopstijgingen. Tenzij de gevelbepleistering (nr. 2, afbeeldingen 1 tot 4) geschikt is voor gebruik als plint (zie de te verschijnen TV 289 voor de strengere criteria) dient men er bijgevolg voor te zorgen dat:
- de bepleistering start met een startprofiel op minstens 30 cm boven het niveau van de afgewerkte buitenvloer wanneer ze onderhevig is aan schokken en spatwater. Deze hoogte kan verlaagd worden tot 15 cm indien de buitenvloerafwerking het opspatten van water enigszins tegengaat (bv. drainerende grindzone (nr. 9) van minstens 30 cm breed) en de blootstelling aan schokken eerder beperkt is
- de bepleistering niet lager komt dan de horizontale anticapillaire barrière (nr. 8) in de ondergrond (vochtscherm geplaatst in een mortelvoeg).

Het aanleggen van een grindzone in de omgeving van de plintzone kan de nabijheid van vegetatie helpen vermijden, voorkomen dat de eventuele verharding rondom het gebouw druk uitoefent op de plinten en de tijdelijke waterdruk aan de muurvoet beperken.

Gelet op de strenge blootstelling in de plintzone geeft men doorgaans de voorkeur aan het gebruik van weinig gevoelige materialen zoals natuursteen of beton (afbeeldingen 1 tot 3). Het zichtbare vlak van de bepleistering mag niet uitgeven op een horizontaal vlak waarop water kan blijven staan en de bepleistering kan beschadigen. Het moet minstens uitkomen op het zichtbare vlak van de plint of op het begin van een afschuining, voorzien aan de bovenkant van de plint. Aangezien het risico op het loskomen en vallen van de plint beperkt is, kan men overwegen om deze rechtstreeks partieel te verlijmen op de afdichting aan de muurvoet (nr. 7, afbeeldingen 2 tot 4).

Deze afdichting is optioneel indien het niveau van de vloerplaat hoger ligt dan het niveau van de afgewerkte buitenvloer (afbeelding 1). Indien dit niet het geval is (nr. 7, afbeeldingen 2 tot 4), dan moet er in een afdichting voorzien worden om zijdelingse infiltraties tegen te gaan:
- de afdichtingsmembranen, met gelaste of verkleefde naden, moeten volvlakkig verkleefd of gelast worden. Aangezien het in dit geval niet gemakkelijk is om een perfecte hechting op de ondergrond te waarborgen en dus om een duurzame en waterdichte aansluiting uit te voeren, dient men aan de gevelvoet in een drainering te voorzien, tenzij de grond zeer doorlatend is. Deze werkwijze is enkel mogelijk indien de grondwaterlaag zich op een lager peil dan de drainering in kwestie bevindt
- bepaalde vloeibare afdichtingsproducten zijn echter in staat om weerstand te bieden tegen een tijdelijke waterdruk en vereisen dus geen bijkomende drainering.

De ontwerper kan vermijden dat het regenwater dat van de gevel afloopt op de plint terechtkomt door voor de eerste metsellagen in versmalde metselstenen te voorzien (afbeelding 3). In dit geval dient hij bij het beoordelen van de stabiliteit van het metselwerk voldoende rekening te houden met de beperkte dikte van het metselwerk op deze plaats.

Indien men er echter voor kiest om de muurvoet af te werken met een bepleistering (zie afbeelding 4) dan moet deze geschikt zijn voor gebruik als plint. Dit wil zeggen dat ze over een voldoende hoge druksterkte en schokbestendigheid en een voldoende lage capillaire waterabsorptie moet beschikken. Het startprofiel van de gevelbepleistering is optioneel.

Indien de bepleistering een weinig doorloopt in de grond, dan moet men in een drainering of een waterafvoer voorzien om te vermijden dat er waterstagnaties zouden optreden die de bepleistering zouden kunnen beschadigen. In dit geval zal de bepleistering ook beschermd moeten worden met een bijkomende behandeling ter verbetering van de waterdichtheid. Hiertoe maakt men bij voorkeur gebruik van een soepel afdichtingsproduct (bestrijking) dat verplicht aangebracht moet worden vanaf de afdichting van de ingegraven constructie tot op een hoogte van 5 cm boven het niveau van de afgewerkte buitenvloer.

Het kan noodzakelijk zijn om een wapeningsweefsel in de bepleistering aan te brengen ter verbetering van de schokbestendigheid. Hiermee verhoogt men eveneens de weerstand tegen scheurvorming.

Buitenbepleistering op dragend isolerend metselwerk - Aansluiting aan de muurvoet - Beschermd volume op de volle grond

bottom of page